
8.1Inleiding
Binnen het Koning Willem I College dragen directeuren de integrale verantwoordelijkheid voor de resultaten van hun afdeling. Vanuit het perspectief van de bedrijfsvoering omvat deze verantwoordelijkheid zowel de financiële resultaten als de formatieve inzet. In 2025 is verder gewerkt aan het borgen en het beschikbaar stellen van voldoende kwalitatieve informatie om de verantwoordelijke directeuren te ondersteunen en adviseren vanuit de ondersteunende afdelingen. De belangrijkste stap hierin is het beschikbaar stellen van het management- en stuurinformatieportaal voor directeuren en managers.
Naast het beschikbaar stellen van relevante informatie heeft 2025 in het teken gestaan van het versterken van de basis op orde binnen de financiële functie, met bijzondere aandacht voor publiek-privaat. Ook is verder gewerkt aan de harmonisatie van processen en een eenduidige werkwijze binnen, maar ook tussen afdelingen. Door focus aan te brengen op het proces van de maandafsluiting is de kwaliteit van de financiële informatie verbeterd. Middels een reguliere jaarplanning en een plateauplanning zijn de veranderkundige ambities voor de komende drie jaren opgesteld.
In aanvulling op processen is ook sprake van een ontwikkeling op het gebied van cultuur en gedrag, die de organisatie gezamenlijk doormaakt. Mede om hier regelmatig bij stil te staan, organiseert het college, onder aanvoering van het College van Bestuur regelmatig koersdagen en een leiderschapsprogramma.
8.2Kengetallen
Bekostigde studenten
Het overzicht toont de bekostigde studentenaantallen. De cijfers over 2021 zijn een optelling van het voormalige Koning Willem I College en ROC De Leijgraaf. Vanaf 1 augustus 2022 worden de studentenaantallen geregistreerd onder het BRIN-nummer van de nieuwe Stichting Regionaal Onderwijs Centrum Noordoost-Brabant. De studentenaantallen in de tabel zijn gebaseerd op de door DUO gepubliceerde terugmelding bekostigingsgrondslagen, met uitzondering van het laatste jaar (2025). De aantallen per 1 oktober 2025 zijn de meest recente interne gegevens die beschikbaar waren bij het opstellen van de begroting voor 2026.
In 2025 groeide het aantal bekostigde studenten met 1% ten opzichte van 2024. De verhouding tussen bol- en bbl-studenten bleef vrijwel gelijk. Het aantal bol-studenten nam van 2021 tot en met 2023 af en vertoont vanaf 2024 een lichte stijging; het aantal bbl-studenten daalde van 2021 naar 2022 en groeit sindsdien. Omdat bol-studenten zwaarder wegen in de bekostiging, volgt het Koning Willem I College deze verhouding nauwgezet.
De landelijke prognoses van DUO laten een daling van het totaal aantal studenten zien, waarbij vooral het aantal bbl-studenten terugloopt. Dit beeld wijkt af van de recente ontwikkelingen binnen het Koning Willem I College, maar sluit aan bij de landelijke demografie en de druk op arbeids- en stagemarkt. De meerjarenbegroting gaat daarom uit van de landelijke prognose, zoals opgenomen in de continuïteitsparagraaf.
Formatie
De formatie in loondienst steeg in 2025 met 35,6 fte, dit is exclusief externe inhuur. De groei hangt samen met de stijging van het aantal mbo-studenten en de toename van commerciële activiteiten binnen Leven Lang Ontwikkelen.
De grootste toename vond plaats binnen het onderwijzend personeel (+17,6 FTE). Dit komt door de groei van het aantal studenten en de toename van commerciële activiteiten. Het aantal onderwijsondersteunende medewerkers nam eveneens toe, vooral door een toename van het aantal adviseurs onderwijs en examinering en extra projectleiders.
Daarnaast viel het college in 2025 veelvuldig terug op externe inhuur (gemiddeld circa 66 FTE). Ondanks initiatieven om externe inhuur terug te dringen, bleef deze hoog door oorzaken als ziektevervanging, benodigde expertise en moeilijk vervulbare vacatures.
Financiële kaders
Het Koning Willem I College hanteert een meerjarig financieel toetsingskader, waarin de relevante ratio’s en signaleringswaarden van de Onderwijsinspectie zijn opgenomen. De financiële gezondheid wordt getoetst aan tien kengetallen, waarvan de waarden eind 2024 en eind 2025 in de tabel staan.
De cijfers in de tabel laten zien dat het college financieel gezond blijft. Hierdoor is er ruimte om tijdig in te spelen op de verwachte daling van de studentenaantallen. De gewenste verhouding tussen onderwijspersoneel (O(O)P) en ondersteunend personeel (OBP) is nog niet bereikt. Intern werkt het college aan verdere stappen om deze streefwaarde te realiseren.
8.3Analyse financiële resultaten
Deze paragraaf is gebaseerd op de jaarrekening 2025 en moet gelezen worden in samenhang met de toelichting op de jaarrekening en de overige financiële gegevens in de jaarrekening.
Het Koning Willem I College sluit 2025 af met een positief resultaat van € 0,2 miljoen. Dit is € 0,6 miljoen hoger dan in 2024 en € 0,2 miljoen hoger dan begroot. De baten stegen sterker dan de lasten ten opzichte van de begroting.
Baten
De totale baten lagen € 0,5 miljoen boven de begroting. Per rubriek volgt een korte toelichting van de belangrijkste afwijkingen van de begroting:
- De Rijksbijdragen vielen € 0,5 miljoen lager uit dan begroot, vooral door een lagere realisatie van geoormerkte subsidieprojecten (€ 1,4 miljoen). Daartegenover stond een hogere indexatie van de Rijksbijdragen (€ 0,9 miljoen).
- Overige overheidsbijdragen en subsidies waren € 0,9 miljoen hoger dan verwacht. Dit komt door hogere opbrengsten uit volwasseneneducatie (€ 0,5 miljoen) en subsidies die niet in de begroting waren opgenomen (€ 0,4 miljoen), waaronder project Beethoven.
- College-, cursus- en lesgelden waren € 0,6 miljoen hoger dan begroot, met name door hogere facturatie aan VAVO‑studenten.
- Baten in opdracht van derden waren € 0,3 miljoen lager, vooral door het niet volledig realiseren van de LLO-ambities.
- Overige baten lagen € 0,1 miljoen onder begroting. In 2024 waren de overige baten eenmalig hoger vanwege de boekwinst op de verkoop van een deel van locatie De Muntelaar in Veghel.
Lasten
De lasten kwamen € 0,4 miljoen hoger uit dan begroot:
- Personeelslasten waren € 2,4 miljoen hoger. De lonen, salarissen, sociale lasten en pensioenlasten lagen € 0,3 miljoen boven begroting door een hogere cao-stijging(5,1% in plaats van 4%). Door lagere inzet van personeel in loondienst bleef de stijging beperkt. De overige personeelslasten waren € 3,0 miljoen hoger. De oorzaak hiervan lag vooral in € 2,6 miljoen aan extra kosten voor externe inhuur. De dotaties aan personele voorzieningen waren € 0,2 miljoen lager. Tot slot is er € 0,9 miljoen aan uitkeringen ontvangen, die niet in de begroting waren opgenomen.
- Afschrijvingslasten vielen € 1,7 miljoen lager uit, doordat investeringen later in het jaar plaatsvonden en het investeringsbudget van 2024 niet volledig werd benut. Hier was wel rekening mee gehouden in de begroting van 2025.
- Overige instellingslasten waren € 1,0 miljoen lager dan begroot, vooral door lagere ICT-lasten.
- Huisvestingslasten vielen € 0,6 miljoen hoger uit dan begroot, de oorzaak hiervan waren extra onderhoudslasten.
8.4Analyse financiële positie
De belangrijkste ontwikkelingen in de financiële positie zijn:
- De immateriële vaste activa namen in 2025 af met € 0,4 miljoen, doordat geen nieuwe investeringen zijn gedaan. De bestaande activa worden in de komende jaren volledig afgeschreven.
- De materiële vaste activa namen in 2025 met € 2,6 miljoen toe, doordat de investeringen van € 10,9 miljoen hoger waren dan de afschrijvingslasten van € 8,3 miljoen.
- De vorderingen daalden met € 1,7 miljoen. Dit wordt voornamelijk verklaard door een afname van de debiteuren met € 1,1 miljoen en van de vorderingen op studenten/deelnemers/cursisten met € 0,9 miljoen, als gevolg van een eerder facturatiemoment in combinatie met verbeterd debiteurenbeheer.
- De omvang van de liquide middelen is ruim, met een bedrag van circa € 50 miljoen.
- Het eigen vermogen nam in 2025 toe met het positieve resultaat van € 0,2 miljoen. Op bestemmingsreserve voor duurzame onderwijsinnovatie vond in 2025 een onttrekking van € 0,7 miljoen door ontwikkelingen voor het programma Flexibilisering en Modularisering.
- De voorzieningen daalden per einde 2025 met € 0,8 miljoen. Dit betreft de afname van de voorziening langdurig zieken met € 0,8 miljoen. In 2025 is de voorziening herijkt op basis van een retrospectieve beoordeling van de voorziening, gecombineerd met de meest actuele inschatting van de HR-functionaris op medewerkersniveau, wat heeft geleid tot een daling van de voorziening met € 1,5 miljoen. Daarnaast is per 31 december 2025 € 0,7 miljoen opgenomen voor verwachte transitievergoedingen na afloop van de tweejaarsziekteperiode.
- Als gevolg van het herstel van een materiële fout in de berekeningswijze van de voorziening duurzame inzetbaarheid zijn de vergelijkende cijfers per 31-12-2024 aangepast ten opzichte van de jaarrekening 2024. Hierbij is de voorziening duurzame inzetbaarheid met € 5,0 miljoen verhoogd en het eigen vermogen met hetzelfde bedrag neerwaarts bijgesteld.
- De kortlopende schulden namen met € 0,9 miljoen toe. Oorzaken zijn hogere nog te betalen belastingen en premies (€ 0,6 miljoen), een hogere reservering vakantiegeld (€ 0,2 miljoen), een opgenomen verplichting voortkomend uit compensatie van verlofdagen tijdens zwangerschaps- en bevallingsverlof (€ 0,4 miljoen), een compensatie voor betaald ouderschapsverlof (€ 0,4 miljoen), een compensatie voor seniorenverlof (€ 0,2 miljoen) en meer vooruit gefactureerde bedragen (€ 0,4 miljoen). De reguliere crediteurenpositie daalde met € 0,7 miljoen en de reservering van CAO vakantieverlofdagen daalde met € 0,6 miljoen.
In paragraaf 8.2 Kengetallen is de ontwikkeling van de belangrijkste financiële kengetallen solvabiliteit en liquiditeit opgenomen. Hieruit blijkt dat de financiële positie van het Koning Willem I College sterk is.
De solvabiliteit (verhouding tussen het eigen vermogen en het totaal vermogen) is met 64% onveranderd gebleven ten opzichte van 2024. Ook de solvabiliteit II (eigen vermogen + voorzieningen gedeeld door het totaal vermogen) blijft met 73% gelijk aan een jaar eerder en ligt ruim boven de signaleringswaarde van 30%.
Het kengetal ter bepaling van eventueel bovenmatig eigen vermogen bedraagt eind 2025 0,59 (eind 2024: 0,61), ruim onder de signaleringswaarde van 1,0. Binnen het Koning Willem I College is geen sprake van bovenmatig eigen vermogen.
De liquiditeitsratio, de verhouding tussen de vlottende activa en de kortlopende schulden, bedraagt eind 2025 1,67 (2024: 1,78). Dit ligt ruim boven de signaleringswaarde van 0,5. Het saldo liquide middelen is door een negatieve kasstroom van € 0,5 miljoen gedaald naar € 49,5 miljoen, met name door een hogere uitgaande investeringskasstroom dan een jaar eerder. Het Koning Willem I College beschikt daarmee over een uitstekende liquiditeitspositie.
8.5Treasury
Het Koning Willem I College baseert het treasurybeleid op het treasurystatuut van de Stichting Regionaal Onderwijs Centrum Noordoost-Brabant. Dit statuut is in 2024 herzien en voldoet aan de regeling beleggen, lenen en derivaten OCW 2016. Tegelijkertijd is een treasurycommissie ingesteld. In 2025 is de treasurycommissie 3 keer bij elkaar gekomen en toetst de treasury-activiteiten en volgt onder andere de ontwikkelingen van de geld- en kapitaalmarkt alsmede de liquiditeit(behoefte) van de organisatie.
Bij het Koning Willem I College heeft het beleggen en lenen in 2025 conform het treasurystatuut plaatsgevonden, zonder bijzonderheden of overtredingen. Het college staat op het standpunt dat publieke middelen worden verstrekt voor het primaire proces, te weten het verzorgen van onderwijs. Het college brengt dit proces niet in gevaar door het aangaan van risico’s die daar niet direct betrekking op hebben, zoals het risicovol beleggen van tijdelijk niet-bestede publieke middelen. Vandaar dat in 2022 het college volledig is overgegaan op schatkistbankieren. Dit betekent dat de liquide middelen bij het Rijk staan gestald en dat we vanuit het Rijk rente ontvangen over de middelen op de rekeningcourant.
Prijs-, krediet-, liquiditeits- en kasstroomrisico’s
De organisatie maakt in de normale bedrijfsuitoefening gebruik van uiteenlopende financiële instrumenten die de organisatie blootstellen aan markt-, rente-, kasstroom-, krediet- en liquiditeitsrisico’s. Daarom heeft Koning Willem I College een beleid opgesteld, inclusief een stelsel van limieten en procedures, om de risico’s te beperken die onvoorspelbare ongunstige ontwikkelingen op de financiële markten kunnen hebben op de financiële prestaties van de organisatie.
Het Koning Willem I College heeft niet te maken met bijzondere prijsrisico’s en voldoet ruim aan de geldende solvabiliteits- en liquiditeitsnormen. De krediet- en liquiditeitsrisico’s en kasstroomrisico’s zijn zeer beperkt. De vorderingen uit hoofde van debiteuren betreffen vorderingen op studenten en vorderingen op overige debiteuren. Koning Willem I College heeft regels en procedures opgesteld voor de betaling van cursusgelden door studenten. Het kredietrisico is niet geconcentreerd bij enkele partijen.
8.6Continuïteitsparagraaf
De meerjarenbegroting is opgesteld zonder verwerking van een eventuele fusie met ROC Rivor. De cijfers hebben betrekking op het Koning Willem I College zoals dat in 2025 opereerde.
Studentaantallen
Per 1 oktober 2025 was er een stijging van ruim 200 studenten ten opzichte van 1 oktober 2024, vooral door groei in het aantal bbl-studenten. De prognoses van DUO laten voor 2026 – 2030 echter een daling zien van het aantal bbl-studenten en een lichte groei in het aantal bol-studenten. Deze prognose is verwerkt in de meerjarenbegroting. Door het aantal studenten van het Koning Willem I College (gewogen) af te zetten tegen het gewogen landelijk aantal studenten in de prognose, is het landelijk aandeel bepaald.
Het interne formatiemodel stemt de personeelsinzet per onderwijsafdeling af op het aantal studenten en is meegenomen in de meerjarenbegroting om de personeelsontwikkeling te bepalen.
De begroting van 2026 is grotendeels ‘bottom-up’ opgebouwd: afdelingsdirecteuren hebben zelf aangegeven welke middelen benodigd zijn voor de reguliere exploitatie en subsidieprojecten. Een aantal posten is centraal vastgesteld, om een gelijk kader te bieden. De begroting 2026 sluit met een licht positief resultaat van € 0,2 miljoen, zodat middelen zoveel mogelijk ten goede komen aan het onderwijs en de financiële gezondheid van het college gewaarborgd blijft.
Met het begrip “gewogen” wordt bedoeld dat bol studenten volledig meetellen en bbl studenten voor 0,4. Deze berekening sluit aan bij de landelijke bekostiging. De landelijke prognoses laten een daling van het aantal bbl-studenten zien; dit beeld heeft het college meegenomen in de meerjarenbegroting.
Het aantal VAVO-studenten blijft gekoppeld aan de uitgangspunten voor mbo-studenten. Voor Educatie wordt een daling van 10% verwacht per 1 oktober 2026, waarna stabilisatie volgt.
De afname van het percentage studenten ten opzichte van het landelijke totaal betekent dat het landelijk aandeel, — en daarmee het aandeel in de mbo-bekostiging — van het Koning Willem I College afneemt. Het college moet daarom het kostenniveau mee laten bewegen met de bekostiging om een gezonde exploitatie te behouden. De T-2-systematiek ondersteunt dit, omdat de bekostiging bij dalende aantallen nog gebaseerd is op eerdere, hogere studentenaantallen. De formatieontwikkeling blijft het belangrijkste stuurinstrument, waarbij de formatie meebeweegt met het aantal studenten.
Formatie
De tabel bevat voor 2025 de formatie in loondienst en voor de begrotingsjaren de formatie inclusief externe inhuur. Daardoor ligt de formatie voor begrotingsjaren hoger dan in 2025. De formatie ontwikkelt mee met de behoefte van het primair proces. Het Koning Willem I College blijft streven naar een verhouding van 70 procent onderwijspersoneel en 30 procent ondersteunend personeel, zodat middelen zoveel mogelijk ten goede komen aan het onderwijs.
In de meerjarenbegroting is de ontwikkeling van de studentenaantallen en de verhouding tussen bol en bbl leidend. Hierdoor daalt de formatie van 1.575,8 Fte in 2026 naar 1.555,4 Fte in 2030, een afname van 1,3 procent. Van 2025 naar 2030 stijgt het gewogen studentenaantal met 1,8 procent. Dit verschil ontstaat doordat bbl-studenten in het interne formatiemodel zwaarder wegen dan in de landelijke bekostiging.
Balans meerjarenbegroting
De geprognosticeerde balans is opgesteld op basis van de resultaatontwikkeling en de verwachte investeringen. De kolom prognose 2025 vormt het startpunt van de meerjarenbegroting. Ten tijde van het vaststellen van de begroting was de materiële fout in de berekeningswijze van de voorziening duurzame inzetbaarheid nog niet bekend. Het herstel van deze fout is later verwerkt, waarbij de vergelijkende cijfers per 31-12-2024 ten opzichte van de jaarrekening 2024 zijn aangepast. Hierbij is de voorziening duurzame inzetbaarheid met € 5,0 miljoen verhoogd en het eigen vermogen met hetzelfde bedrag neerwaarts bijgesteld. Omdat deze verwerking na goedkeuring van de begroting heeft plaatsgevonden, is dit effect niet meegenomen in de meerjarenprognose.
Uit de balans blijkt dat de solvabiliteit II en de liquiditeitsratio ruim boven de signaleringswaarden van het ministerie blijven: een liquiditeitsratio hoger dan 0,5 en een solvabiliteit II hoger dan 0,3.
De bestemmingsreserve duurzame onderwijsinnovatie wordt tot en met 2027 benut, in lijn met de looptijd van de strategie. In de meerjarenbegroting is een jaarlijkse aanwending van € 1,5 mln. opgenomen. Binnen de private bestemmingsreserve worden geen mutaties verwacht.
Voor de voorzieningen is de aanname dat dotaties en onttrekkingen aan elkaar gelijk zijn. Omdat in de begroting geen loon- of prijsinflatie is verwerkt, zijn de voorzieningen hier ook niet op aangepast. Hierdoor blijft de balanspositie van de voorzieningen stabiel, met uitzondering van de eerder toegelichte impact van het foutherstel van de voorziening duurzame inzetbaarheid, die niet in de meerjarenprognose is verwerkt.
Staat van baten en lasten - meerjarenbegroting
De landelijke prognoses van de studentenaantallen vormen het uitgangspunt van de meerjarenbegroting. Het berekende landelijk aandeel studenten van het Koning Willem I College is afgezet tegen de meerjarenbegroting van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om de Rijksbijdragen te bepalen.
Naast de Rijksbijdragen zijn vooral de ontwikkelingen in de post baten in opdracht van derden van belang. Na 2026 dalen binnen deze post de baten uit Educatie, maar leiden de ambities op Leven Lang Ontwikkelen naar verwachting tot hogere opbrengsten vanaf 2027. De overige geldstromen met betrekking tot subsidies en overige baten zijn vanaf de begroting 2026 constant gehouden. In het algemeen worden aflopende subsidies vervangen door nieuwe subsidies en er zijn geen signalen om uit te gaan van wijzigingen in de overige baten. De baten in de meerjarenbegroting worden daarmee als jaarlijks terugkerend beschouwd.
De personeelslasten bewegen mee met de gewogen studentenaantallen, op basis van het interne formatiemodel. De huisvestingskosten blijven in de meerjarenbegroting nagenoeg gelijk aan 2025. Hierbij is aangenomen dat de energieprijzen niet sterk wijzigen. Buiten de ontwikkelingen in studentenaantallen en personele mutaties worden geen extra effecten op de exploitatie van het college verwacht. Het exploitatieresultaat wordt ten gunste of ten laste van de algemene reserve van het college gebracht, waarbij gezien de huidige omvang van het eigen vermogen de continuïteit bij normale bedrijfsvoering gewaarborgd is.
Meerjaren investeringenoverzicht
In de begroting 2026 is rekening gehouden met het beëindigen van het huurcontract van de locatie Stadionlaan in Den Bosch en het aangaan van een huurovereenkomst aan de Aartshertogenlaan in Den Bosch. Buiten deze wijziging in de huisvesting hebben geen besluiten plaatsgevonden met betrekking tot de huisvesting in de periode 2026 tot en met 2030. In 2025 is een strategisch huisvestingsadvies door een externe partij opgesteld. In 2026 wordt binnen het college op basis van dit advies toegewerkt naar een strategisch huisvestingsplan.
Om goed onderwijs te blijven verzorgen, investeert het Koning Willem I College jaarlijks in zijn materiële vaste activa. De geplande investeringen en bijbehorende afschrijven zijn verwerkt in de meerjarige balans. De afdelingen Facilitair Bedrijf en Informatievoorziening voeren de investeringen uit. De totale jaarlijkse investeringen liggen iets hoger dan de jaarlijkse afschrijvingen.
Sinds 2025 beoordeelt een investeringscommissie de investeringsaanvragen op inhoudelijke kwaliteit, strategische relevantie, financiële onderbouwing en haalbaarheid. De budgetverdeling in de meerjarenbegroting is afgestemd met de betrokken afdelingen en door hen akkoord bevonden.
Kasstroomoverzicht meerjarenbegroting
Op basis van de meerjarenbegroting blijven de liquide middelen stabiel. Op basis van de huidige besluiten is er geen externe financieringsbehoefte. Door de stabiele ontwikkeling van de liquide middelen blijft de liquiditeitsratio dicht bij het huidige niveau van 1,67 zoals ook zichtbaar is in de meerjarige balans.
Scenarioanalyse
De meerjarenbegroting is gebaseerd op de landelijke prognoses van studentenaantallen. Omdat de studentenaantallen grote invloed hebben op de Rijksbekostiging zijn drie scenario’s uitgewerkt met als uitgangspunt het aantal studenten op 1 oktober 2025:
- Positief scenario: jaarlijks 1 procentpunt hogere groei van de gewogen studentenaantallen dan in de landelijke prognose.
- Basisscenario: groei volgens de landelijke prognose.
- Negatiever scenario: jaarlijks 1 procentpunt lagere groei van de gewogen studentenaantallen dan in de landelijke prognose.
De gewogen studentenaantallen en de te ontvangen percentages van de landelijke bekostiging voor de scenario’s zijn in onderstaande tabel opgenomen.
Uit de scenario’s blijkt dat een positieve studentontwikkeling in eerste instantie druk zet op het rendement door hogere formatiebehoefte, maar op langere termijn leidt tot stabiele resultaten door een hoger landelijk aandeel. Het negatieve scenario werkt omgekeerd: het rendement is in het begin positiever door lagere formatie, maar daalt later omdat de Rijksbijdragen afnemen.
Planning- en controlcyclus
De planning- en controlcyclus (P&C) is bedoeld om de activiteiten en middelen binnen onze organisatie te sturen en beheersen, zodat onze strategische doelstellingen worden behaald. Door activiteiten, resultaten en middelen op alle niveaus te bewaken, blijven we in control en houden we zicht op voortgang en risico’s. De P&C-cyclus maakt gebruik van de volgende instrumenten:
PDCA-cyclus
De Plan, Do, Check, Act (PDCA) cyclus is volledig geïntegreerd in onze onderwijskwaliteit en P&C-processen. Dit bevordert een continu verbeterproces.
Begroting (PLAN)
In december wordt jaarlijks de begroting vastgesteld voor vijf jaar, waarin doelen en middelen worden bepaald.
Uitvoering (DO)
De uitvoering richt zich op het realiseren van de in de begroting vastgestelde doelen met optimaal gebruik van middelen.
Rapportages (CHECK)
- Tertiaalrapportages (MARAP): Iedere vier maanden wordt een rapportage opgesteld over financiële en kwalitatieve kencijfers en een prognose van het jaareinde. Deze rapportages worden besproken met bestuur, directies en Raad van Toezicht.
- Maandelijkse MARAP: Naast de tertiaalrapportages ontvangt het College van Bestuur iedere maand een beknopte MARAP. Deze rapportage bevat een afspiegeling van de cijfers van de afgelopen maand, signalen over risico’s, afwijkingen en andere relevante ontwikkelingen. Inhoudelijk is deze rapportage minder uitgebreid en bevat minder prognoses dan de tertiaalrapportages.
- Maandelijkse rapportages: Afdelingen ontvangen maandelijks voortgangsrapportages met financiële en formatieve kerncijfers (m.u.v. januari en juli).
Voortgangsgesprekken (CHECK, ACT)
- Tertiaalgesprekken: In februari, mei en oktober bespreken bestuur en directies de MARAP-resultaten en eventuele bijstellingen.
- Maandelijkse bilaterale gesprekken: Besprekingen tussen bestuur en directies op basis van voortgangsrapportages.
- 3-gesprekken: Directies overleggen maandelijks met hun HR-businesspartner en controller over financiële en formatieve ontwikkelingen.
Intern risicobeheersings – en controlesysteem
Op maandelijkse basis rapporteert de afdeling Control met input vanuit verschillende afdelingen richting het College van Bestuur in de vorm van een managementrapportage. Deze rapportage bevat actuele informatie over studenten, personeel en financiën. In 2025 is in de periode na de zomervakantie op basis van de exploitatieresultaten van afdelingen gevraagd een besparing te realiseren in het restant van het jaar.
Daarnaast voert het college periodiek kwaliteits-, handhavings- en tevredenheidsonderzoeken uit, waarmee risico’s in beeld worden gebracht en adequate bijsturing kan plaatsvinden. Voor de financiële sturing wordt gebruikgemaakt van een begroting, een meerjarenbegroting, taakstellende budgetten voor diverse activiteiten, investeringen en voorzieningen. De interne sturing is in 2025 verder ontwikkeld door het ontwikkelen van een managementinformatiesysteem waarin onder andere de informatie over studenten, personeel en financiën is opgenomen, op het niveau van het gehele college en per afdeling.
Drie keer per jaar worden managementrapportagegesprekken (MARAP-gesprekken) georganiseerd tussen de afdelingen en het College van Bestuur. Deze gesprekken bieden een gelegenheid om strategische doelen en operationele risico’s uitvoerig te bespreken en om gezamenlijk tot verbeteracties te komen.
Een belangrijk instrument in het kwaliteitszorgsysteem blijft de interne audit, waarmee de onderwijskwaliteit bij de onderwijsafdelingen wordt onderzocht. Bij twijfel over de geboden onderwijskwaliteit worden verbeteracties geformuleerd en de voortgang gemonitord. Zelfevaluaties op basis van teamplannen, afgeleid van afdelingsplannen en de kaderbrief, zorgen ervoor dat de PDCA-cirkel wordt gesloten en opnieuw geopend.
Hoewel de jaarlijkse accountantscontroles en de beschikbare studentenprognoses van DUO geen interne controles zijn, geven beiden belangrijke input om zicht te houden op ontwikkelingen in studentenaantallen en risico’s rondom onderwijskwaliteit, financiën en demografische veranderingen. Zij geven zicht op de belangrijkste risico’s, geïdentificeerd door externe partijen, en geven de organisatie de kans (tijdig) te anticiperen.
Het omgaan met risico’s (risicomanagement) blijft een essentieel onderdeel van het realiseren van de strategische doelen uit het meerjarenplan. Risico’s worden bewust in kaart gebracht om weloverwogen keuzes te maken voor de beheersing ervan.
Beschrijving van de belangrijkste risico's en onzekerheden
Maatschappelijke ontwikkelingen
De belangrijkste onzekerheden en (maatschappelijke) ontwikkelingen in de omgeving waarin het Koning Willem I College opereert zijn hieronder thematisch opgenomen. Door de ontwikkelingen inzichtelijk te maken en te bespreken, kunnen de belangen en invloedsferen nader geduid worden. Het is mogelijk dat ontwikkelingen zonder verdere invloed effect hebben op het Koning Willem I College, daarom worden de acties die worden ondernomen op de ontwikkelingen niet specifiek geduid. Eventuele acties en reacties op deze ontwikkelingen zijn onderdeel van de strategie.

Belangrijkste risico’s
Hieronder zijn de belangrijkste risico’s opgenomen. Het Koning Willem I College is vastbesloten om een veilige, inclusieve en kwalitatief hoogstaande leeromgeving te bieden. We erkennen dat bepaalde risico’s onvermijdelijk zijn bij het nastreven van innovatie en groei. Onze risicobereidheid varieert per risico. We streven naar een evenwichtige aanpak waarbij we risico’s zorgvuldig afwegen en beheren, met het oog op de student, continuïteit van het onderwijs en vooruitgang. Om te duiden hoe we met risico’s omgaan is de (gewenste) risicoreactie aangegeven.





Gedragscode en Soft Controls
Binnen het Koning Willem I College wordt ingezet op soft controls door het organiseren van workshops sociale veiligheid en het leiderschapsprogramma voor alle managers en directeuren. Daarnaast vindt jaarlijks een medewerkerstevredenheid onderzoek plaats, waarvan de uitkomsten aanleiding kunnen zijn om aandacht te besteden aan de soft controls binnen een afdeling. Alle medewerkers volgen een training in digitale veiligheid. Binnen deze training is ook aandacht voor de Algemene Verordening Gegevensbescherming en vindt actieve monitoring plaats op de autorisaties van medewerkers in verschillende softwarepakketten.
Het Koning Willem I College beschikt over een integriteitscode ‘integer en professioneel handelen’, die van toepassing is op alle medewerkers van Koning Willem I College. Deze integriteitscode is beschikbaar via de HR-pagina op het intranet van het college. In deze code is zichtbaar gemaakt wat onder integer en professioneel handelen wordt verstaan, wat gewenst gedrag is en welke situaties moeten worden vermeden. De code beschrijft ook hoe er gehandeld dient te worden indien een situatie of bij gedrag in strijd met de integriteitscode is. Het college heeft een nieuwe integriteitscode in behandeling. Een akkoord op deze nieuwe integriteitscode wordt in 2026 verwacht, na akkoord wordt de code geïmplementeerd.
Overige risicobeheersing
In aanvulling op bovenstaande risico’s is sprake van wet- en regelgeving waaraan het KW1C dient te voldoen. Deze wet- en regelgeving, bijvoorbeeld op het gebied van privacy of de regeling publiek-privaat, krijgen binnen diverse afdelingen in het KW1C apart aandacht. Voor publiek-privaat is in de aparte paragraaf “Beleidsregel investeren met publieke middelen in private activiteiten” het risicobeleid en beheer toegelicht. Hieronder valt ook het risico van het niet voldoen aan de (Europese) aanbestedingsrichtlijnen.
Voor een bedrag van € 3,6 miljoen (2024: € 4,0 miljoen) voldoet het college over 2025 niet aan de Europese aanbestedingswetgeving. Hiervan heeft € 2,6 miljoen (2024: € 3,8 miljoen) betrekking op uitgaven die in 2025 zijn aangegaan. Het resterende bedrag van € 1,0 miljoen (2024: € 0,2 miljoen) betreft uitgaven in het huidige jaar die voortvloeien uit beheerhandelingen uit eerdere jaren. De voornaamste typering van kosten waarin niet voldaan wordt aan de Europese aanbestedingswetgeving is externe inhuur en het inhuren van externe adviseurs. Hier zijn in 2025 en naar de toekomst acties op gezet en aanbestedingsprocedures voor uitgezet, om het risico op, en de omvang van, het niet voldoen aan de Europese aanbestedingswetgeving verder terug te dringen.
Daarnaast is een integrale frauderisico-analyse opgesteld. In 2025 is een eerste versie opgesteld en besproken met het bestuur. In 2026 heeft na herijking een vaststelling van de frauderisico-analyse door het bestuur plaatsgevonden. De belangrijkste onderwerpen, die hierin met risico's en maatregelen worden benoemd, zijn onder andere:
- Bekostiging;
- Inkoop;
- Activa;
- Uitgaande geldstromen;
- Publiek-privaat;
- Ontslag van personeel.
Rapportage toezichthoudend orgaan
Voor de rapportage van het toezichthoudend orgaan wordt verwezen naar paragraaf 7.3.
8.7Notitie Helderheid
Het Koning Willem I College legt in deze notitie verantwoording af over de thema’s uit Helderheid in de bekostiging van het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie.
1. Uitbesteding
In 2024 was nog sprake van uitbesteding binnen de domeinen Toerisme & Recreatie. Deze samenwerking is inmiddels beëindigd. Vanaf studiejaar 2024–2025 wordt het onderwijs voor deze opleidingen volledig in eigen beheer uitgevoerd. Daarmee ligt de verantwoordelijkheid voor de organisatie, uitvoering en kwaliteitsborging volledig bij het Koning Willem I College.
In 2025 is uitsluitend binnen de afdeling Bouw & Wonen nog sprake van uitbesteding. Deze vindt plaats via Bouwmensen (locaties Oss/Veghel en ’s-Hertogenbosch) voor de opleidingen timmeren, metselen en tegelzetten. Daarnaast heeft het Koning Willem I College voor de opleiding schilderen een samenwerkingsovereenkomst met de Schildersvakopleiding.
Voor beide samenwerkingen geldt dat het onderwijs deels plaatsvindt op locaties van de samenwerkingspartners en deels op de locatie van het Koning Willem I College in Oss. Het onderwijs wordt verzorgd door docenten van het Koning Willem I College in samenwerking met instructeurs van de opleidingsbedrijven.
De samenwerkingspartners hebben in 2025 in totaal € 310.000 gefactureerd voor uitbesteed onderwijs aan het Koning Willem I College.
2. Investeren van publieke middelen in private activiteiten
Dit thema is vervangen door de beleidsregel Investeren van publieke middelen in private activiteiten. De verantwoording vindt plaats in de betreffende beleidsregelparagraaf.
3. Het verlenen van vrijstellingen
Koning Willem I College verleent vrijstellingen op basis van eerder verworven kwalificaties. De procedures hiervoor zijn vastgelegd in het Examenreglement. Deze werkwijze is in 2025 zonder wijzigingen voortgezet. Studenten kunnen volledige of gedeeltelijke vrijstelling krijgen. Bij volledige vrijstelling wordt een student ingeschreven als examendeelnemer.
4. Les- en cursusgeld niet betaald door de deelnemer zelf
In 2025 zijn geen betalingen van les- of cursusgeld gedaan vanuit de reguliere bekostiging. Wanneer derden cursusgeld betalen, werkt het college volgens de bestaande procedure: er wordt altijd een ondertekende derdengeldverklaring van de student gebruikt. Deze werkwijze is in 2025 ongewijzigd toegepast.
5. In- en uitschrijving en inschrijving van deelnemers in meer dan één opleiding tegelijk
A Uitschrijving kort na 1 oktober
Voor het in- en uitschrijven vlak vóór respectievelijk na een teldatum hanteert het Koning Willem I College strikte interne regels die voldoen aan de bekostigingsvoorwaarden die het ministerie van OCW hanteert. In onderstaande tabel staan de aantallen studenten die per 1 oktober 2025 bekostigd waren en zich tot en met 31 december 2025 bij de instelling hebben uitgeschreven, uitgesplitst naar reden van uitstroom.
| Reden uitstroom | Aantal studenten |
|---|---|
| Diploma behaald | 226 |
| Wens student privé | 123 |
| Belangstelling andere opleiding | 26 |
| Persoonlijke omstandigheden | 25 |
| Gezondheidsredenen | 25 |
| Motivatie onvoldoende | 19 |
| Liever fulltime werken | 18 |
| Beëindiging arbeidsovereenkomst | 15 |
| Werkomstandigheden | 14 |
| Verkeerd beroeps-/opleidingsbeeld | 14 |
| Resultaten onvoldoende | 7 |
| Psychosociale/maatschappelijke problemen | 7 |
| Gaat naar HAVO / andere school | 6 |
| Schoolorganisatie/onderwijsvormgeving | 6 |
| Onbereikbaar/geen reactie | 4 |
| Gaat werken | 4 |
| Verwijderd wegens wangedrag | 2 |
| Certifica(a)t(en) behaald | 2 |
| Uitzonderlijke familieomstandigheden | 2 |
| Financiële redenen | 1 |
| Totaal | 546 |
B Dubbele inschrijving
Wanneer studenten in meer dan één opleiding staan ingeschreven binnen het Koning Willem I College, wordt slechts één inschrijving voor bekostiging in aanmerking gebracht.
C Gecombineerde trajecten educatie/beroepsonderwijs
Er zijn trajecten waarin studenten zowel een educatieopleiding als een beroepsopleiding volgen. Deze trajecten worden beide bekostigd en voldoen elk aan de vereisten voor bekostiging.
De bekostiging en de urennorm voor het beroepsonderwijs voor deze studenten zijn gelijk aan de bekostiging van het beroepsonderwijs voor reguliere studenten.
6. De deelnemer volgt een andere opleiding dan waarvoor hij is ingeschreven
Het Koning Willem I College ziet er op toe dat een student uitsluitend staat ingeschreven voor de opleiding die daadwerkelijk wordt gevolgd. Er zijn geen signalen vastgesteld dat deelnemers een andere opleiding volgden dan de opleiding waarvoor zij stonden ingeschreven. Gedurende de opleidingsloopbaan kan zich wel incidenteel de situatie voordoen dat een deelnemer wenst over te stappen naar een andere opleiding. Door middel van gerichte studie- en loopbaanbegeleiding en het brede onderwijsaanbod van Koning Willem I College kunnen deelnemers in de meeste gevallen binnen de instelling worden begeleid naar een passende opleiding. Het beleid is erop gericht deelnemers onderwijs te laten volgen dat aansluit bij hun onderwijsbehoefte en mogelijkheden, waarmee voortijdige schooluitval zoveel mogelijk wordt voorkomen.
Hieronder wordt verantwoording afgelegd over het aantal per 1 oktober 2025 bekostigde studenten dat in de periode tot en met 31 december 2025 van opleiding respectievelijk leerweg is veranderd (zogenoemde omzwaaiers).
| Omzwaai opleiding | |
|---|---|
| Aantal bekostigde studenten waarbij een wijziging van het CREBO-nummer (opleiding) heeft plaatsgevonden | 408 |
| Totaal | 408 |
| Omzwaai leerweg | |
|---|---|
| Aantal bekostigde studenten van BBL naar BOL | 39 |
| Aantal bekostigde studenten van BOL naar BBL | 99 |
| Totaal | 138 |
Het komt voor dat studenten meerdere diploma’s behalen. De diplomabekostiging verloopt via de beslisboom. Per student wordt in een jaar slechts één diploma voor outputbekostiging meegenomen.
In 2025 zijn in totaal 5.516 bekostigde diploma’s verstrekt.
Binnen het Koning Willem I College komt het incidenteel voor dat deelnemers na diplomering opnieuw worden ingeschreven in een opleiding op hetzelfde niveau, bijvoorbeeld voor een andere differentiatie of een aanvullende kwalificatie.
De instelling staat dit uitsluitend toe indien sprake is van aantoonbare onderwijskundige meerwaarde of arbeidsmarktrelevantie. Herinschrijving met als doel het genereren van bekostiging is uitgesloten.
7. Bekostiging van maatwerktrajecten ten behoeve van bedrijven
In 2025 is, op basis van de intern gehanteerde beslisboom en conform onderstaande, geen sprake van maatwerktrajecten.
Volgens deze beslisboom is uitsluitend sprake van maatwerk wanneer aan drie voorwaarden wordt voldaan: een derde partij levert een commerciële bijdrage, het traject wordt niet regulier bekostigd en er wordt lesstof ontwikkeld die niet wordt aangeboden aan reguliere studenten.
In 2025 is aan deze cumulatieve voorwaarden niet voldaan. Er zijn geen trajecten uitgevoerd waarbij exclusieve lesstof voor een externe opdrachtgever is ontwikkeld en aangeboden. Evenmin is sprake van trajecten die op basis van commerciële financiering en afwijkende inhoud als maatwerk kwalificeren.
Daarmee kwalificeren de trajecten die in 2025 zijn uitgevoerd niet als maatwerk volgens de vastgestelde criteria.
8. Buitenlandse deelnemers
Het Koning Willem I College verzorgt uitsluitend onderwijs binnen Nederland.
Buitenlandse deelnemers die rechtmatig in Nederland verblijven en voldoen aan de wettelijke inschrijfvoorwaarden komen in aanmerking voor bekostiging. In 2025 hebben zich geen wijzigingen in beleid of uitvoering voorgedaan.
8.8Beleidsregel investeren met publieke middelen in private activiteiten
Het Koning Willem I College is een onderwijsinstelling met een wettelijke taak om beroepsonderwijs te verzorgen, gefinancierd vanuit publieke middelen. Het middelbaar beroepsonderwijs kenmerkt zich door een sterke betrokkenheid van bedrijven en brancheorganisaties in de regio. Wij zijn daarmee een actieve partner in het bieden van scholing-, educatie- en opleidingstrajecten in onze regio.
Wanneer er activiteiten mede onder verantwoordelijkheid van Koning Willem I College worden uitgevoerd, en voor zover deze activiteiten op meer dan alleen de uitvoering van de bekostigde wettelijke taak gericht zijn, is in principe de beleidsregel investeren met publieke middelen in private activiteiten van toepassing. Om onderwijskundige redenen voert Koning Willem I College deze activiteiten uit, of is hierbij betrokken, met als doel studenten een waardevolle praktijkervaring te bieden binnen een contextrijke leeromgeving. Het is belangrijk op te merken dat deze activiteiten altijd bijdragen aan de kwaliteit van ons onderwijs, en niet primair gericht zijn op het behalen van winst.
Geïnvesteerd vermogen en calculatiemethode
Voor een transparante en beleidsconforme verantwoording wordt per private activiteit inzicht gegeven in de omvang van de baten, de totale investering met publieke middelen en de totale kosten. Het Koning Willem I College hanteert bij de bepaling van het geïnvesteerd vermogen de definitie zoals opgenomen in de Beleidsregel 2025. Conform de bruto-benadering worden alle kosten die met publieke middelen worden gefinancierd en die toerekenbaar zijn aan private activiteiten afzonderlijk en integraal verantwoord als geïnvesteerd publiek vermogen. Deze kosten worden niet gesaldeerd met private opbrengsten.
Ook dient er te worden aangegeven of is gekozen voor een integrale kostprijs (ikp)of een marktconform tarief (mct). Hierbij is het beleid van Koning Willem I College dat ten aanzien van private activiteiten in principe wordt uitgegaan van de integrale kostprijs. Alleen wanneer het bepalen van de integrale kostprijs redelijkerwijs niet mogelijk is, wordt gekozen voor een marktconform tarief.
| (x EUR 1.000) | ||||
|---|---|---|---|---|
| Private activiteit | Baten 2025 | Geïnvesteerde publieke mid. 2025 | Kosten 2025 | ikp/ mct |
| 1. Educatie: inburgeringstrajecten, zowel voor gemeenten als individueel | 5.751 | 6.341 | 6.341 | ikp |
| 2. Contractactiviteiten (Koningsacademie): commerciële cursussen en trainingen, 3e leerweg en maatwerk (privaat aandeel) | 3.395 | 2.862 | 2.862 | ikp |
| 3. Detacheringen: onderwijsinhoudelijke samenwerking of mobiliteitstrajecten | 346 | 346 | 346 | ikp |
| 4. Verhuur aan derden: verhuur van ruimtes in het kader van samenwerking met partners of vanwege contractactiviteiten | 42 | 42 | 42 | mct |
| 5. Overige activiteiten: hospitality die samenhangt met de verhuur van ruimtes en de voorzieningen voor de laadpalen. | 123 | 123 | 123 | ikp |
Toelichting bij Educatie
Voor Inburgering is in 2024 een uitgebreid calculatiemodel ontwikkeld en in 2025 geactualiseerd. Dit heeft geleid tot beter inzicht in de onderliggende cijfers. Conform de definitie in de beleidsregel is er sprake van een geïnvesteerd vermogen. Op basis van de integrale kostprijs (met opslag voor overhead) is sprake van een investering met publieke middelen in private activiteiten wat bij de activiteitensoort educatie (Inburgering) leidt tot een negatief resultaat van € 0,6 miljoen. Op basis van de door het Koning Willem I College toegekende meerwaarde voor de maatschappij en ons onderwijs in het bijzonder is deze activiteit, inclusief sturing en verfijning calculatie, in 2025 nauwkeurig geanalyseerd. Het negatieve resultaat Inburgering komt mede voort uit bestaande contractuele afspraken uit het verleden. Bijsturing van het negatieve resultaat is mogelijk bij afloop van contracten door het afsluiten van nieuwe contracten met hogere opbrengst en aanscherping van de kostenstructuur van de afdeling. In 2026 worden hiervoor acties en een planning opgesteld door de afdeling.
Toelichting bij Contractactiviteiten Koningsacademie
Vanuit de Koningsacademie worden er commerciële trajecten aangeboden aan bedrijven, zoals trainingen en cursussen, derde-leerweg- en certificaattrajecten. Hierbij wordt geen publieke bekostiging gebruikt voor deze trajecten. Met behulp van een calculatiemodel worden deze trajecten kostendekkend uitgevoerd, waarbij zowel indirecte kosten als eventuele risico-opslagen worden meegewogen.
Ook zijn er gemengd gefinancierde trajecten (publiek-privaat), waarbij er studenten een regulier bekostigde opleiding volgen en daarnaast wensen van het bedrijf worden ingewilligd, zoals extra begeleiding of een alternatieve locatie. De aanvullende activiteiten worden niet betaald uit de publieke bekostiging maar separaat gefactureerd aan het bedrijf (als onderdeel van de baten contractactiviteiten), waarbij het kostendekkende bedrag wordt bepaald met behulp van het calculatiemodel.
Toelichting herziening kwalificatie simuleringsactiviteiten horeca (van privaat naar publiek)
Tot en met 2024 zijn baten uit horeca activiteiten aangemerkt als private activiteit en in die hoedanigheid verantwoord in het jaarverslag. Met ingang van 2025 zijn deze baten van private activiteit geherclassificeerd naar publieke activiteit, aangezien deze horeca-activiteiten binnen het Koning Willem I College primair gericht zijn op het simuleren van de beroepspraktijk. Het Koning Willem I College heeft hiervoor geen afzonderlijk(erkend) leerwerkbedrijf ingericht. Op basis van de beleidsregel “Investeren met publieke middelen in private activiteiten 2025” worden deze activiteiten aangemerkt als behorend tot de wettelijke onderwijstaak. Dit heeft geleid tot een herziening van het standpunt, waarbij de simuleringsactiviteiten horeca met ingang van 2025 als publieke activiteit zijn geclassificeerd.
Het (risico)beleid en -beheer en organisatorische inbedding
Het Koning Willem I College beschikt over een beleidsnotitie publiek-privaat, waarin de kaders, voorwaarden en besluitvorming – inclusief verantwoordelijkheden van betrokkenen, organisatorische inbedding, maatschappelijke en onderwijskundige meerwaarde en bijbehorende processen - op hoofdlijnen zijn vastgelegd. Op basis van dit beleid kunnen de activiteiten als volgt worden samengevat:
| Private activiteit | (Risico)beleid en beheer | Organisatorische inbedding |
|---|---|---|
| 1. Educatie | Een verfijnd voorcalculatiemodel op totaalniveau, waarin onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende inburgeringsroutes en wordt gewerkt met vooraf vastgestelde kostprijstarieven. Deze calculatie vormt de basis voor de prijsstelling in de af te sluiten contracten en draagt eraan bij dat geen ongeoorloofde bekostiging vanuit publieke middelen plaatsvindt. Daarbij geldt dat prijsafspraken binnen reeds afgesloten meerjarige contracten uit voorgaande jaren niet altijd tussentijds kunnen worden aangepast aan gewijzigde kostenontwikkelingen. Als gevolg hiervan is in 2025 sprake van een verlies op de educatieactiviteiten. Bij nieuw af te sluiten contracten wordt nadrukkelijk gestuurd op kostendekkende tarieven en een passende beheersing van financiële risico’s. |
De uitvoering ligt bij Startcollege, ondersteund door de afdeling Financiën en Control. |
| 2. Contract-activiteiten | Per afzonderlijk project wordt op basis van vooraf vastgestelde kostprijstarieven een integrale kostprijsberekening opgesteld. Deze calculatie vormt de basis voor de prijsstelling in offertes en contracten. Daarnaast is sprake van gestructureerd offerte- en contractbeheer, waarin afspraken met betrekking tot onder andere prijs, volume en looptijd worden vastgelegd en gemonitord. Contractactiviteiten worden separaat geregistreerd binnen de projectenmodule van de financiële administratie, waardoor opbrengsten, kosten en resultaten afzonderlijk inzichtelijk zijn. Middels periodieke rapportages en resultaatanalyses wordt toegezien op de financiële ontwikkeling van de contractactiviteiten en wordt bewaakt dat deze activiteiten voldoen aan de geldende wet- en regelgeving en geen ongeoorloofde bekostiging vanuit publieke middelen plaatsvindt. | De uitvoering ligt bij de betrokken functionarissen binnen het proces: de Koningsacademie initieert en voert niet-bekostigde activiteiten uit, de onderwijsafdeling is verantwoordelijk voor de bekostiging en het onderzoekskader, en de afdeling Financiën en Control ondersteunt het proces. |
| 3. Detacheringen | Per detacherings-overeenkomst wordt op basis van vooraf vastgestelde kostprijstarieven een integrale kostprijsberekening opgesteld. Deze berekening vormt de basis voor de prijsstelling en de contractuele afspraken met betrekking tot onder andere inzet, tarief en looptijd. Detacheringen worden separaat geregistreerd binnen de financiële administratie, waardoor opbrengsten, kosten en resultaten afzonderlijk inzichtelijk zijn. Middels periodieke rapportages en resultaatanalyses wordt toegezien op de financiële ontwikkeling van de detacheringen en wordt bewaakt dat geen ongeoorloofde bekostiging vanuit publieke middelen plaatsvindt. | De uitvoering ligt bij de betrokken functionarissen binnen het proces: de onderwijsafdeling neemt het initiatief en is verantwoordelijk voor de inhoudelijke afstemming, HR verzorgt het procesmanagement, en de afdeling Financiën en Control biedt ondersteuning bij financiële administratie, contractbeheer en rapportages. |
| 4. Verhuur aan derden | Voor verhuur aan derden wordt gewerkt met een kostprijsberekening op basis van vooraf vastgestelde standaardtarieven per m² en een marktconforme prijsstelling. De verhuuractiviteiten worden separaat geregistreerd binnen de financiële administratie. Middels periodieke monitoring wordt toegezien op de financiële ontwikkeling van de verhuuractiviteiten en wordt bewaakt dat geen ongeoorloofde bekostiging vanuit publieke middelen plaatsvindt. | De uitvoering ligt bij de betrokken functionarissen binnen het proces, met het Facilitair Bedrijf als primaire uitvoerder, ondersteund door de afdeling Financiën en Control. |
| 5. Overige activiteiten | Voor overige private activiteiten vindt monitoring plaats van opbrengsten en kosten, waarbij sprake is van separate registratie binnen de financiële administratie. Middels periodieke rapportages en resultaatanalyses wordt toegezien op de financiële ontwikkeling van deze activiteiten en wordt bewaakt dat deze voldoen aan de geldende wet- en regelgeving en geen ongeoorloofde bekostiging vanuit publieke middelen plaatsvindt. | De uitvoering ligt bij de betrokken functionarissen binnen het proces, ondersteund door de afdeling Financiën en Control. |
Meerwaarde
Het Koning Willem I College heeft in de routekaart haar doelstellingen ondergebracht in drie pijlers:
- Kansrijk: Ontwikkeling van talenten in een (digitaal) leernetwerk.
- Verbindend: Samenwerking met regionale communities en internationale partners.
- Bewust: Duurzaamheid en innovatie in het onderwijs.
Onderdeel van pijler verbindend is programmalijn Leven Lang Ontwikkelen. In deze programmalijn is de meerwaarde en noodzaak van onze (publiek-) private activiteiten in relatie tot onze bekostigde wettelijke taak beschreven. Dit houdt in dat we, in samenhang met onze onderwijsportefeuille, een strategische partner zijn in onze regio in het opleiden en ontwikkelen van talentontwikkeling gericht op de behoeften van het werkveld. Ook zijn we een partner naar gemeenten en individuen in het uitvoeren van diverse educatieactiviteiten.
| Private activiteit | Meerwaarde |
|---|---|
| 1. Educatie | De educatie-activiteiten vloeien voort uit de WEB, echter de financiering verloopt via de gemeenten. Met de invoering van marktwerking is de uitvoering van deze trajecten niet meer voorbehouden aan mbo-instellingen. Voor het behalen van een startkwalificatie is behalve specifieke beroepsvaardigheden ook een aantal basisvaardigheden nodig, zoals Nederlands, rekenen en digitale vaardigheden. Omdat niet elke volwassene voldoet aan de kwalificatieplicht verzorgt KW1C hiervoor trajecten voor volwassenen. De behoeften binnen de regio wordt in samenwerking met de gemeenten vertaald naar benodigde trajecten. De kennis over de maatschappelijke behoefte in het kader van participatie en integratie wordt tevens gebruikt om ook binnen reguliere trajecten extra in te zetten op deze basisvaardigheden. Inburgering richt zich mate name op de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse maatschappij. Daarbij heeft het KW1C een dusdanige infrastructuur, waardoor er mogelijkheden zijn kennis te maken met opleidingen en/of trajecten die van toegevoegde waarde zijn voor de integratie in de maatschappij. |
| 2. Contract-activiteiten | Mede in het kader van een Leven Lang Ontwikkelen (LLO) worden er, veelal in directe samenwerking met opdrachtgevers, cursussen aangeboden voor het aanleren van vaardigheden of ontwikkelen van competenties, die aansluiten op of zelfs onderdeel zijn van het beroepsonderwijs. Het in opdracht van het werkveld uitvoeren van deze vaak kort-cyclische trajecten brengt voor KW1C kennis en ervaring in het kader van LLO evenals kennis voor het flexibiliseren en modulariseren van het (reguliere) onderwijs. De samenwerking is tevens afgestemd op de behoefte van de branche, maar daarnaast doen de betrokken docenten zelf ook kennis en ervaring op over het gehele werkveld in een bredere context en met een meer gedifferentieerde doelgroep. Deze samenwerking geeft input aan het (reguliere) onderwijs voor het stellen van een betere leerdiagnose, het geven van betere begeleiding en een beter op de beroepspraktijk afgestemde onderwijsinhoud. |
| 3. Detacheringen | Dit is geen doel op zichzelf. Uitwisseling van kennis, samenwerken en kennis overbrengen, maar ook mobiliteit in het kader van goed werkgeverschap en bedrijfsvoering liggen hieraan ten grondslag. |
| 4. Verhuur aan derden | Dit is geen doel op zichzelf. Facilitering bij samenwerkingen en efficiëntie ten aanzien van bedrijfsvoering (leegstand) liggen ten grondslag aan deze dienstverlening. |
| 5. Overige activiteiten | Deze activiteiten zijn geen doel op zichzelf. De activiteiten zijn van invloed op de samenwerking met de partners die benodigd zijn voor het reguliere onderwijs. Verder geeft de uitvoering van deze activiteiten invulling aan een efficiëntere bedrijfsvoering en/of goed werkgeverschap, waardoor verspilling van publieke middelen wordt tegengegaan of geminimaliseerd. |
Specifieke en uitgezonderde activiteiten
Het Koning Willem I College participeert in een aantal publiek-private arrangementen. Deze worden alleen ontplooid onder de volgende condities:
- Het levert aantoonbare onderwijskundige meerwaarde op voor studenten;
- De doelstellingen sluiten aan op de uit te voeren wettelijke taken;
- De inzet van publieke middelen staat in een redelijke verhouding tot het te bereiken onderwijskundige doel;
- De financiële en andere risico’s zijn onderkend en afdoende afgedekt;
- De continuïteit van het onderwijs is geborgd; voorkomen dat studenten hun opleiding niet kunnen afronden of vertraging oplopen;
- Er mag geen sprake zijn van oneerlijke concurrentie;
- Er moet sprake zijn van toezicht, verantwoording, transparantie en integriteit.
Als laatste resteert een aantal private activiteiten dat is uitgezonderd van de verantwoording conform de beleidsregel investeren met publieke middelen in private activiteiten (art.1.3 lid 2 en 3):
a) Activiteiten zoals genoemd in de Regeling beleggen, lenen en derivaten 2016. Deze activiteiten worden verantwoord in het bestuursverslag onder treasury.
b) Activiteiten ten aanzien van de besteding van subsidies zoals bedoeld in art. 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht. Deze activiteiten worden verantwoord conform de betreffende subsidieregeling en indien van toepassing in het jaarverslag opgenomen in het Model G.










